Verwachtingsmanagement

De wetenschapsfilosoof Bruno Latour bestudeert in zijn boek Science in action wetenschap vanuit het perspectief van een antropoloog. Hij beschrijft wat wetenschappers zoal doen, wat hun gebruiken zijn, hoe ze communiceren, en hoe ze hun theorieën aan de man te brengen. Ergens in dat boek (een aanrader, overigens) meldt Latour terloops dat de wetenschappers die hij bestudeert in tegenstelling tot wat het publiek denkt, zelden in een lab te vinden zijn. Het grootste gedeelte van hun tijd zitten ze lezend of schrijvend gebogen over velletjes papier, die zij “artikelen” noemen. Van de buitenkant gezien lijken wetenschappelijk onderzoekers dus precies op Schriftgeleerden.

De papieren wetenschap uit het 1987 van Latour is inmiddels verdrongen door digitale schermen, maar verder klopt zijn karakterisering nog behoorlijk. Ook voor psychologen. Wie verwacht dat een wetenschappelijk psycholoog veel tijd doorbrengt met mensen, bijvoorbeeld om ze zorgvuldig te observeren of hun zielenroerselen te leren kennen, die komt bedrogen uit. De wetenschappelijk psycholoog besteedt, net als de wetenschappers van Latour, het grootste deel van zijn tijd aan lezen, schrijven, en data-analyse. Het liefste zit de wetenschappelijk psycholoog in zijn eentje fanatiek te schrijven aan een tekst die, dat dan weer wel, over dezelfde mensen gaat die hij of zij liefst niet al te vaak ziet. Misschien overdrijf ik wat, maar toch niet heel veel.

Ook voor studenten psychologie geldt dat zij uit hoofde van hun studie niet heel veel meer tijd met mensen doorbrengen dan bijvoorbeeld hun collega’s in de biologie of scheikunde. Dit fenomeen leidt tot problemen in de communicatie met aankomend studenten, die moeite hebben zich voor te stellen wat een studie psychologie eigenlijk inhoudt. Universiteiten doen overal hun best om de prospectieve student op het hart te drukken dat hun opleidingen zeker in het begin vooral heel veel leeswerk vergen (en dan vaak ook nog eens over statistiek en methodologie). Maar toch verwachten veel studenten meer interactie met hun medemens dan het geven van proefpersooninstructies of het aanbrengen van EEG-sensoren.

Voor Latours microbiologen zal niemand erover inzitten dat zij vooral boeken lezen. Maar ik schat zo in dat de gemiddelde lezer van dit stukje daar in het geval van psychologen anders over denkt. Het idee dat je veel met mensen moet omgaan om iets over menselijk gedrag te leren is bijvoorbeeld wijdverbreid. De wetenschappelijke literatuur ondersteunt dit idee echter nauwelijks. Die suggereert eerder dat mensen zonder de hulp van gestandaardiseerde metingen, experimenten, en statistische analyses onmiddellijk ten prooi vallen aan de vreselijkste cognitieve vertekeningen en statistische luchtkastelen. Mensen krijgen in de intermenselijke interactie weliswaar het gevoel dat ze veel inzicht verwerven, maar als puntje bij paaltje komt blijkt dat inzicht toch vooral van illusoire correlaties en base-rate fallacies aan elkaar te hangen.

Een pijnlijk voorbeeld van dit fenomeen vormt de literatuur over klinische versus statistische predictie. In deze literatuur worden voorspellingen van klinici over het verloop van stoornissen van hun cliënten vergeleken met die van supereenvoudige statistische modellen. Als men in zulk onderzoek al verschillen vindt zijn die doorgaans in het voordeel van de statistiek. Ook in ander onderzoek blijkt keer op keer dat mensen hun expertise op allerlei gebieden schromelijk overschatten, of het nu gaat om aandelenkoersen, medische aandoeningen, of om menselijk gedrag.

Ontluisterend maar waar: als je wat over mensen wilt leren, dan is een boek zo gek nog niet.