Fraude

Veel mensen weten nog waar ze waren op het moment dat een belangrijke  gebeurtenis plaatsvond. Het nieuws van zo’n gebeurtenis lijkt de herinnering te verlichten tot een ongewone helderheid. Ik heb dat met de fraude van Diederik Stapel.

Ik was spaghetti Bolognese aan het koken voor mijn kinderen toen ik een sms-je kreeg van een collega: Diederik Stapel vervalste onderzoeksgegevens. Toen ik het gekoppelde artikel op internet las moest ik even gaan zitten. Diederik? De Golden Boy van de sociale psychologie? Ik kon het nauwelijks geloven. Ik kende Stapel weliswaar niet heel goed, maar wel goed genoeg om gechoqueerd te zijn van het bericht. Ik ging zitten op een krukje van Ikea, zelfs dat weet ik nog.

Nu was ik als methodoloog wel op de hoogte van de hoge prevalentie van wat later Questionable Research Practices (QRPs) ging heten, maar dat iemand jarenlang zó stelselmatig data kon vervalsen zonder dat ook maar één vakgenoot een wenkbrauw optrok, dat vond ik toch onverwacht en schokkend. Het was bovendien evident dat de zaak Stapel door zijn omvang een enorm lek in het wetenschappelijk systeem blootlegde. Door de afwezigheid van stelselmatige replicaties en de eenzijdige gerichtheid op statistische significantie was het vrij schieten in ons vakgebied, en in de loop der jaren was de zaak compleet uit de hand gelopen.

De reakties op de fraudezaak werden echter vooral gekenmerkt door ontkenning en relativering. Ik viel bijna van mijn stoel toen ik Robbert Dijkgraaf bij Pauw en Witteman hoorde verkondigen dat het om een geïsoleerd incident ging, waar we ons geen zorgen over hoefden te maken omdat wetenschap immers zelfcorrigerend is. Eerst dacht ik dat Dijkgraafs naïviteit voortkwam uit zijn onbekendheid met de psychologie. Maar later hoorde ik ook vakgenoten met overtuiging verkondigen dat de zaak Stapel helemaal niets met de onderzoekscultuur te maken had, en dat we in de psychologie onze zaakjes eigenlijk best goed op orde hadden.

Ondertussen zijn we een paar jaar verder. We hebben na Stapel ook Smeesters en Sanna zien vallen, en er is in een lange stoet artikelen aangetoond dat de psychologie zwaar lijdt onder het juk van QRPs. Er is een aanzienlijke beweging op gang gekomen van mensen die opstaan voor een transparante en open psychologie, waarin het afgelopen is met de jacht op de p-waardes, we de hijgerigheid vaarwel zeggen, en waarin nu eens echt werk wordt gemaakt van replicatie-onderzoek.

Het belang van deze beweging wordt helaas onderschreven door de recente ontwikkelingen aan onze eigen Afdeling. Een aantal datasets van UvA-hoogleraar Jens Förster zouden gemanipuleerd zijn, en die beschuldiging is op het moment dat ik dit schrijf door het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI) gegrond verklaard. Förster ontkent, maar het ziet er bepaald niet goed uit. Kan nu nog iemand zeggen dat het om een geïsoleerd incident gaat? Het lijkt me stug. Er is een systeemprobleem.

In de treurnis en zinloosheid van deze gebeurtenissen is het zelfs voor een methodoloog niet altijd makkelijk om optimistisch te blijven. Maar, zoals Churchill zei: Never let a good crisis go to waste. Het is nu nog duidelijker dat de psychologie een transitie moet maken naar een nieuw wetenschapsmodel, waarbij we openheid, grondigheid, en eerlijkheid moeten gaan verkiezen boven produktiviteit en citatiescores. Het kan niet anders meer. Ons rest slechts de vlucht naar voren.