Wittgenstein’s wetenschappelijke erfenis

Je hebt van die denkers die je niet loslaten. Ik heb dat met Ludwig Wittgenstein (1899-1951). Wittgensteins enige echte boek, de Tractatus Logico-Philosophicus, is wat mij betreft een hoogtepunt in de Westerse literatuur. Alleen al de eerste zin is een adembenemende gedachte die mij al jaren op onbewaakte momenten overvalt. Ik sta onder de douche of stap op de fiets, en daar is hij plotseling: de wereld is alles wat het geval is. De implicaties van die eenvoudige zin ontvouwen zich voor mijn geestesoog als een ontzagwekkende afgrond waar je zomaar in zou kunnen verdwijnen. Niet per se handig als je ’s ochtends haast hebt en boterhammen met pindakaas moet smeren voor je kinderen, trouwens – maar goed, een beetje beroepsdeformatie hoort erbij in mijn vak, en mijn kinderen zijn er wel aan gewend dat hun vader soms even in de pauzestand staat.

De hoofdstelling van de Tractatus is dat de betekenis van een uitspraak gelijk staat aan de feitelijke situatie die deze uitspraak afbeeldt; de betekenis van de uitspraak “Denny schijft een column” is dus de feitelijke situatie waarin ik een column schrijft. Wittgenstein meent dat alle betekenisvolle zinnen een feitelijke situatie uitdrukken, en dat zinnen die geen feitelijke situatie uitdrukken betekenisloos zijn. Dat is een behoorlijk radicaal idee, maar omdat Wittgenstein niets zei over de vraag of je die feitelijke situaties ook vast moet kunnen stellen had zijn voorstel voor de wetenschap niet zoveel consequenties.

Dat veranderde met de logisch positivisten van de Weense Kring, die Wittgenstein wel aandachtig lazen maar niet echt begrepen. Zij transformeerden zijn toch al extreme voorstel tot de ronduit extremistische these dat alleen verifieerbare uitspraken betekenisvol zijn. Empirische uitspraken die dit criterium niet respecteerden werden gezien als onwetenschappelijk metafysisch gezwets. De psychologie, juist in de eerste helft van de 20e eeuw naarstig op zoek naar een fundament voor haar wetenschappelijke status, klampte zich vast aan deze onredelijk strenge opvatting en verkocht haar ziel aan behaviorisme en operationalisme. Alle psychologische eigenschappen moesten meetbaar worden, alle hypotheses toetsbaar. De psychologie bekeerde zich tot droog empirisch onderzoek, theorievorming werd schaars.

Uiteindelijk verliet Wittgenstein zelf zijn betekenisdefinitie. In de postuum uitgegeven verzameling ongeordende notities, die men nu de Filosofische Onderzoekingen noemt, oppert hij dat betekenis vaak helemaal niet tot stand komt door de manier waarop uitspraken de feitelijke realiteit afbeelden, maar door de rol die ze vervullen in het sociale verkeer. Deze wending, waarmee Wittgenstein in de filosofie een tweede aardverschuiving veroorzaakte die bekend staat als de Linguistic Turn, heeft de psychologie nooit echt bereikt. Psychologen hadden zichzelf inmiddels wijsgemaakt dat zij een harde, empirische wetenschap moesten optuigen, gebaseerd op observaties, experimenten, en statistiek.

Daaraan is weinig veranderd. Psychologen leren aan de meeste universiteiten nog steeds dat theoretische begrippen moeten worden “geoperationaliseerd” en dat wetenschappelijk acceptabele eigenschappen meetbaar moeten zijn. Dat paradigma bleek in allerlei opzichten ook heel vruchtbaar, want de psychologie heeft met haar empirische instelling veel vooruitgang geboekt. Toch vind ik zelf dat de academische psychologie vaak te dicht bij de empirie blijft. De schok van Wittgenstein en de logisch positivisten dreunt wat dat betreft nog altijd na.